Door gastblogger Arjan van der Plas, vader van zoon met diabetes

 

“Pap? Ik voel me laag.”

De trap kraakt en zachtjes komt hij naar beneden. Negen jaar is hij nu, verschrikkelijk stoer maar ook klein. En lief. Voordat hij beneden in de huiskamer staat, heb ik zijn meter al gepakt en gebruiksklaar gemaakt. 3.4 Staat er op het schermpje. “Yes! Doe maar een koekje” hoor ik hem zeggen.
Twee koekjes en een tijdelijke basale aanpassing verder draag ik hem op mijn rug naar boven. Als ie weer lekker in zijn bed ligt vraagt ie me: “Pap? Vind jij het leuk dat je een pomp hebt?”
Snel maak ik de afweging tussen een eerlijk en een diplomatiek antwoord. Het liefst gooi ik mijn eigen pomp weg, ga ik erop stampen of kijk ik of ie brandbestendig is. Zo eerlijk mogelijk antwoord ik hem dat we geen keuze hebben en dat de professoren hard bezig zijn om iets te uit te vinden of te ontdekken. En het liefst allebei. Ik weet dat we dat allebei niet gaan meemaken. Vervolgens switch ik razendsnel naar een verhaal van vroeger. Papa had toen nog geen metertje thuis en moest soms vier of vijf keer per dag naar het ziekenhuis om een vingerprikje te laten doen. Vervolgens kwam de uitslag pas twee weken later via de kinderarts, maar toch.

Uiteindelijk valt ie in slaap en kijk ik nog een tijdje naar dat slapende mannetje. Hij weet dat ie diabetes heeft en dat ie daarom een pomp heeft. Weet ook wat die pomp doet en dat daar vingerprikjes bij horen. Hij baalt er enorm van en is soms verdrietig. Soms ziet hij wel de voordelen. Op school tijdens waterspelletjes in de hete zomer. (Niet op mij want ik heb een pomp!) Uit ervaring weet ik dat dat erbij hoort. Op momenten zoals deze weet ik nooit zo goed welke pet ik op heb. Ben ik nu zélf dat kleine mannetje, ben ik mijn ouders of ben ik gewoon mezelf? Ik kan me zijn pijn en woede namelijk zo goed voorstellen en zelfs bijna voelen. Maar nu ik zélf papa ben van een zoon met diabetes snap ik mijn ouders soms ook veel beter. Angsten, vragen en vooruitzichten. Ik ken ze bijna allemaal. Veelal uit ervaring. Inmiddels ben ikzelf 38 jaar waarvan bijna 34 met diabetes. Worden mijn angsten en valkuilen daarom de zijne? Zal hij er zich nét zo sterk en langdurig tegen verzetten?
Hopelijk niet. En neem me voor nóg beter mijn best te doen voor hem en zijn goede voorbeeld te zijn.

Ik geef hem nog een dikke knuffel en een stiekeme kus (niet cool Pap!) en loop weer naar beneden. Huilend.